Advies over Hoogbouwinitiatieven in Amsterdam
ARS document - serie: 1999 nr: 99-11 [maart]
[
download dit document]
[inhoudsopgave] [samenvatting] [aanbevelingen]
INHOUDSOPGAVE
- INLEIDING
- FEITEN EN ONTWIKKELINGEN
- Structuurplan
- Hoogbouweffectrapportage
- Plan en besluitvormingsproces
SAMENVATTING
| |
Sinds zijn advies over hoogbouw (1990) en de verwerking ervan in het beleid constateert de ARS nog steeds een aantal zaken die een goede afweging bij hoogbouw in de weg zitten. Zo heeft de meest recente bijstelling (in gemeenteraadscommissie van 10-2-1999) van de Notitie Hoogbouweffectrapportage weliswaar tot een actuelere versie geleid, maar ontbreekt het daarin nog altijd aan een essentiële afweging op het niveau van het structuurbeeld van de stad. Belangrijke vragen die bij zo'n afweging aan de orde behoren te komen, zijn:
- welke multiply effecten mogen van de hoogbouw worden verwacht in de omgeving?
- welke ruimtelijke maar ook programmatische noodzaak is aanwezig?
- welke meerwaarde ontstaat voor het publieke domein in de omgeving?
- welke zichtlijnen zijn essentieel en welke waardering wordt er aan gegeven?
- welke functies (het liefst publieksfuncties) zouden in de plint van de hoogbouw kunnen worden opgenomen?
Antwoorden hierop zijn onmisbaar voor een goede en volledige gedachtevorming over hoogbouw. De herziene Notitie Hoogbouweffectrapportage van de gemeente schetst een inzichtelijke werkwijze om een hoogbouwinitiatief te beoordelen. Wanneer het planproces begeleid wordt door de gemeentelijke Dienst RO, lijkt het de ARS juist om de Hoogbouweffectrapportage door een andere instantie te laten uitvoeren (zoals ook bij de MER gebeurt). Hiermee wordt het in kaart brengen en waarderen van moeilijk meetbare zaken (zoals bijvoorbeeld zichtlijnen) in elk geval onafhankelijk van elkaar gedaan. |
AANBEVELINGEN
- De ARS acht het noodzakelijk dat er binnenkort een studie naar de effecten van hoogbouw wordt gehouden. Deze studie moet de hoogbouw afzonderlijk analyseren vanuit:
- het stedelijk niveau van het structuurplan;
- het niveau van het stadsdeel of de stadslob, en
- het plaatselijke niveau van de plek zelf.
- Inhoudelijk moet de studie vooral gaan over stedebouwkundige aspecten. Voor elk genoemd niveau zullen specifieke aandachtspunten gelden. Over deze punten moet eerst overeenstemming bestaan voor dat met een dergelijke studie gestart wordt.
- Van belang is dat de uitkomsten van deze studie reeds in het vroegste stadium van het gemeentelijk systeem van het Plan- en Besluitvormingsproces Ruimtelijke Maatregelen (PlaBeRuM) als leidraad kan dienen. D.w.z. dat het hoogbouwinitiatief reeds in eerste ronde op criteria uit alle drie genoemde schaalniveau's getoetst wordt.
- Vooruitlopend op genoemde studie is het nu reeds raadzaam de uitvoering van de huidige Hoogbouweffectrapportage te plaatsen bij een andere instantie dan de dienst of het bureau dat het planproces heeft begeleid.
- Overweeg om in de Hoogbouweffectrapportage (HER) ook de eis op te nemen van afweging van alternatieven (zoals bij een MER). Dit zal meer inzicht verwerven. Er kan worden nagegaan welke effecten ontstaan wanneer eenzelfde volume in een andere vorm wordt gegoten.